Werkbezoek varkenshouderij

Ook in deze campagnetijd voor de Europese verkiezingen gaat het Statenwerk gewoon door. Vandaag stond een langverwacht werkbezoek van de commissie Groen en Water op de agenda. Deze commissie is ook verantwoordelijk voor landbouw en heeft daardoor met enige regelmaat contact met LTO. Tijdens een van de laatste gesprekken nodigde de landbouworganisatie ons uit voor een werkbezoek aan twee varkenshouderijen, onder meer om het verschil tussen intensieve en extensieve landbouw duidelijk te maken.

Het werkbezoek begon bij een intensieve varkenshouderij in Woubrugge, aan de rand van het Groene Hart. Hier worden de varkens nog in ‘oude stijl’ gehouden. Elke zeug heeft een eigen box waar zij de dag in doorbrengt. Wanneer zij heeft gebigd komt ze weliswaar in een iets grotere box te liggen zodat de kleine biggetjes bij haar kunnen blijven – althans de eerste vier weken – maar zelf krijgt ze niet meer ruimte dan voor de bevalling. Na vier weken moeten de biggetjes op eigen benen staan. En wanneer zij rondom de 25 kilo wegen, verhuizen ze naar een varkenshouder die gericht is op de vleesproductie. Slechts een deel blijft achter om op hun beurt voor nageslacht te zorgen. De boer in Woubrugge vertelde vol passie over zijn bedrijf en zijn dieren. Zijn familie heeft al een veehouderij sinds 1898 en hoopt daar nog een aantal generaties mee door te kunnen gaan. Inmiddels wordt gewerkt aan een nieuw bedrijf, een paar kilometer verderop. Daar kan beter worden voldaan aan alle eisen, onder meer op het terrein van dierenwelzijn. De varkens zouden dan niet langer in een box liggen, maar de ruimte krijgen in een stal met stro.

De tweede varkenshouder waar we op bezoek waren, in Lisse, had al zo’n strostal. En hoewel volgens de collega’s van de Partij voor de Dieren en GroenLinks nog steeds verre van ideaal, zie ik wel degelijk een grote verbetering. De dieren hebben een grotere ruimte om te lopen, te eten en te slapen, ze kunnen vrij bewegen er ligt stro op de vloer en ze kunnen ook onderling contact maken. Het geheel ziet er veel meer ontspannen uit.

Een van de doelen van het werkbezoek was om de leden van de commissie meer bewust te maken van wat er gebeurt op het boerenbedrijf. En hoewel je het onbewust wel weet, is mij vooral opgevallen hoe hard er moet worden gewerkt. Het meeste werk wordt door de boer zelf gedaan, en enkele keer ondersteunt door een knecht (als je dat ten minste nog zo mag noemen) voor een paar uur per week. Dat verdient niet alleen respect, maar ook een zorgvuldige afweging bij het vaststellen van nieuwe regels voor het buitengebied.