Vier jaar Statenlid: een terugblik

Vier jaar geleden stelde ik mij vol overtuiging kandidaat voor een zetel in Provinciale Staten van Zuid-Holland. Ik had grote dromen: er moest een Randstadprovincie komen, Zuid-Holland moest groener, de waterkwaliteit omhoog en het debat zou veel meer op hoofdlijnen gevoerd moeten worden. Met de verkiezingen in zicht is het hoog tijd eens terug te blikken op de afgelopen periode: wat is er gelukt, welke ideeën heb ik kunnen realiseren en welke plannen liggen nog altijd op de plank?

Om maar met dat laatste te beginnen: de Randstadprovincie is er niet gekomen en lijkt voorlopig ook niet in zicht. Er is onvoldoende draagvlak voor bij andere partijen, hoe goed het ook zou zijn voor de Nederlandse en Hollandse economie wanneer besluiten over de Rotterdamse haven en Schiphol eenvoudiger zouden kunnen worden genomen. De bestuurlijke discussie – waar ik overigens geen woordvoerder voor was – spitste zich de afgelopen jaren met name toe op de Noordvleugelprovincie en de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag.

Installatie als Statenlid
Installatie als Statenlid

Gelukkig is er veel ook wél gelukt. Allereerst heeft Zuid-Holland mede dankzij D66 een flinke stap gezet naar een groener beleid. In het coalitieakkoord werd 100 miljoen euro uitgetrokken voor extra investeringen in de groene recreatiegebieden rondom de grote steden. En na de bezuinigingen op het groenbeleid door staatssecretaris Bleker zijn door onze gedeputeerde plannen ontwikkeld om alsnog te zorgen voor een groener Zuid-Holland, met minder geld maar met meer draagvlak in de samenleving. Dit resultaat schrijf ik natuurlijk niet op mijn persoonlijke conto, maar ik weet wel dat dit nieuwe groenbeleid er zonder D66 niet was gekomen.

Het Zuid-Hollandse beleid wordt de komende jaren ook letterlijk groener. Als woordvoerder milieu heb ik de afgelopen jaren met enige regelmaat aandacht gevraagd voor meer duurzame keuzes, in de meest brede zin van het woord. Zuid-Holland zou moeten kiezen voor beleid dat ook op lange termijn houdbaar is en onze provincie beter maakt. Het blijft echter lastig om in de toekomst te kijken. Daarom heb ik – samen met PvdA-collega Fabian Lionaar – gevraagd om een duurzaamheidstoets te ontwikkelen en zo voor de Staten inzichtelijk te maken welke langetermijngevolgen nieuw beleid zal hebben. Het afgelopen jaar is een pilot met zo’n toets uitgevoerd, in de vorm van een mini-maatschappelijke kosten/baten-analyse (mkba). Dit instrument kan worden ingezet om nieuwe beleidsvoorstellen vooraf te toetsen op allerlei effecten, waarna de Staten goed geïnformeerd een keus kan maken. In de komende maanden wordt besloten hoe de mini-mkba definitief kan worden ingevoerd.

In mijn milieuportefeuille zit ook het beleid op het gebied van luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit blijft een probleem in een drukke provincie als Zuid-Holland, met bovendien nog flink wat industrie. De uitstoot van fijnstof is groot en zal de komende jaren verder moeten worden aangepakt. Ik heb het College steeds aangespoord om een actiever luchtkwaliteitsbeleid te voeren. Nu is de inzet beperkt tot het voldoen aan de normen die Europabreed zijn afgesproken. Maar deze normen voldoen nog niet aan wat volgens de artsen van de Wereldgezondheidsorganisatie acceptabel is om gezond te kunnen leven. Ik wil dat Zuid-Holland verdere stappen zet om de kwaliteit van onze lucht te verbeteren en alles in het werk stelt om de samenleving hierop in te stellen. Een mooi aandachtspunt voor de volgende periode!

Werkbezoek Oostvlietpolder
Werkbezoek Oostvlietpolder

Wanneer je de afgelopen Statenperiode echter milieu zei, zei je met name ook milieutoezicht. De discussie rondom de asbeststortingen in de Derde Merwedehaven, tankopslagbedrijf Odfjell, maar ook de brand bij Chemiepack in Moerdijk, heeft duidelijk gemaakt dat het milieutoezicht de afgelopen jaren flink te kort heeft geschoten. De Onderzoeksraad voor Veiligheid bestempelde het toezicht bij Odfjell in zijn rapport zelfs als “onderhandelingstoezicht”, waarbij letterlijk werd gemarchandeerd met de veiligheid van werknemers en omwonenden. Onacceptabel. Mede dankzij mijn inbrengen in de debatten over Odfjell is het beleid voor milieutoezicht de afgelopen jaren flink aangescherpt. Bedrijven moeten het vertrouwen van de toezichthouder opnieuw verdienen, vergunningen worden vaker tegen het licht gehouden en duidelijker geformuleerd en er komt veel meer informatie beschikbaar voor omwonenden over risico’s en incidenten.

Deze Statenperiode voerde ik ook het woord over alles dat te maken had met water. Gekscherend ben ik ook wel eens het waterhoofd van de fractie genoemd, een titel die ik dan maar als geuzennaam voer. Wanneer het in de provincie gaat om water, gaat het om verschillende dingen: waterveiligheid, waterkwaliteit, voldoende aanbod van zoet water en drinkwater, maar ook om de relatie met de waterschappen.

Voordat ik in de Staten kwam, volgde ik volledig de D66-lijn dat de waterschappen zouden moeten worden opgeheven en hun taken ondergebracht bij de provincie. Inmiddels ben ik daar echter niet meer zo van overtuigd, en de afgelopen jaren ben ik ook meermaals de discussie aangegaan over het behoud van de waterschappen als een zelfstandige bestuurslaag. De provincie is allang geen uitvoerend orgaan meer, terwijl de waterschappen dat wel zijn. Bij stormen en hoogwater zijn zij het die ervoor moeten zorgen dat wij droge voeten houden en zij zijn het ook die zorgen dat er schoon water uit onze kraan komt. Dat is geen taak voor de provincie. Daarbij is het bestuurlijk ook nog eens een flinke uitdaging, omdat de stroomgebieden van rivieren, kanalen en beken nu eenmaal geen rekening houden met provinciegrenzen. En ik moet er niet aan denken dat de reserves van de waterschappen – bijvoorbeeld bestemd voor het veilig houden van de dijken – door de provincie voor andere dingen zouden kunnen worden gebruikt.

Werkbezoek Zandmotor
Werkbezoek Zandmotor

Voorlopig zijn de waterschappen er in elk geval nog en vinden ook nog rechtstreekse waterschapsverkiezingen plaats. En zolang die er zijn, vind ik dat deze zo democratisch mogelijk zouden moeten plaatsvinden. De afgelopen periode diende ik daarom samen met PvdA, SP, GroenLinks en Partij voor de Dieren een initiatiefvoorstel in om het aantal zogenoemde geborgde zetels te verlagen. Deze zetels worden niet ingevuld met vrije verkiezingen, maar zijn beschikbaar voor boeren, bedrijven en natuurorganisaties. Het voorstel heeft het helaas niet gehaald, maar mijn strijd voor een democratischer én zelfstandig waterschap zal ik ook de komende jaren voortzetten. Die inzet geldt overigens ook voor de hoogte van de waterschapslasten, het onderwerp waar ik mijn maidenspeech over hield. Die moeten ook de komende jaren binnen de perken blijven, ook al hebben de waterschappen een zware taak in de waterrijke provincie Zuid-Holland.

De voorwaarden voor waterkwaliteit bepaalt de provincie niet zelf. Die zijn net als de normen voor luchtkwaliteit Europabreed vastgelegd, in dit geval in de kaderrichtlijn water. Zowel het grondwater als het oppervlaktewater (rivieren, meren, etc.) moeten de komende jaren schoner worden en voldoen aan verschillende chemische normen. De provincie en de waterschappen nemen hiervoor verschillende maatregelen, waarbij de Staten vooral de kaders bepalen. De metingen laten zien dat het water inderdaad steeds schoner wordt, maar toch lijken de resultaten achter te blijven. Dat komt door het binaire systeem: een waterlichaam mag namelijk pas als ‘schoon’ worden aangemerkt, wanneer het aan alle eisen voldoet. Is de kwaliteit op één van de vele meetpunten nog niet op orde, dan wordt het predikaat ‘schoon’ niet toegekend. Veel collega’s blijven daar in de debatten op hangen en blijven vragen naar het gebrek aan voortgang. Terwijl als je de onderliggende stukken bekijkt, er wel degelijk stappen worden gezet.

Een groot project voor de verbetering van de waterkwaliteit waar ik mij de afgelopen hard voor heb gemaakt, is de verzilting van de Grevelingen. Door een beperkte opening te maken in de Brouwersdam, kan door de komst van het zeewater de stroming in de Grevelingen worden teruggebracht. Dat zorgt voor meer zuurstof en daarmee een betere waterkwaliteit, zo heb ik mij laten uitleggen. En dat is weer goed voor de flora en fauna in én langs het water. Wanneer we de Grevelingen gezond maken, ontstaat er bovendien meer ruimte voor recreatie op het water en langs de kant. En om het maken van het gat in de dam te kunnen betalen, worden plannen ontwikkeld voor de eerste getijdencentrale ter wereld die met een laag tijverschil (met een verval van een halve tot anderhalve meter) energie kan opwekken. Er ligt een plan klaar waar ik erg enthousiast van word: niet alleen goed voor natuur, milieu en recreatie, maar ook voor de lokale economie, duurzame energieopwekking en een voorbeeld van Nederland als innovatieland. Ik ben dan ook blij dat met steun van D66 tien miljoen euro wordt uitgetrokken ter ondersteuning van dit project.

Dit overzicht is natuurlijk maar een klein deel van wat ik de afgelopen vier jaar allemaal heb gedaan. Ik voerde honderden gesprekken met vertegenwoordigers van belangengroepen, legde tientallen werkbezoeken af en nam deel aan talloze fractie- en coalitie-overleggen. Met de verkiezingen in zich vind ik het echter belangrijk om mijn kiezers in elk geval een beeld te kunnen geven van de belangrijkste dingen die ik de afgelopen jaren heb gedaan. Daarbij hoort overigens nog wel één disclaimer: geen enkel resultaat uit de afgelopen jaren kan of wil ik volledig op mijn naam schrijven. Politiek is teamwork, en dat is maar goed ook!